De "Veluwsche sagen"
Door Joris Magusanus

In zijn boek "Veluwsche sagen" (Arnhem: Gysbers en van Loon) heeft Gustaaf van de Wall Perné (1877-1911) een aantal bijzonder fraaie verhalen verzameld. Zijn interesse hiervoor gaat terug naar zijn jeugdtijd…

"Geboren in het hart der Veluwe, hoorde ik daar als kind vele wondere verhalen,
welke een diepen indruk bij mij achterlieten."

…en zette zich in zijn verdere leven voort:

"Ons land, vooral het oostelijk gedeelte met zijn uitgestrekte bosschen
en onafzienbare heidevelden, is nog vol oude volkspoëzie;
maar zij slaapt. Laten we hopen, niet voor eeuwig."

In zijn poging haar te wekken besloot hij de sagen van de "Vale Ouwe" (=Veluwe) op te schrijven, en raadpleegde Gelderse volksalmanakken, boeken over geschiedenis en folklore, en tenslotte de oudste bewoners van de Veluwe. Het resultaat mocht er zijn, en binnen een jaar was de eerste druk van zijn boek uitverkocht.

In de eerste sage, getiteld "De groote en de kleine hul", beschrijft van de Wall Perné het ontstaan van de heuvels te Elspeet en Uddel. Nadat Donar ("Thunar") de oven van de reus van Uddel met een mokerslag verbrijzeld had, ging de reus naar zijn buurman in Elspeet die op de Hardenberg woonde om te vragen of hij niet in zijn oven zijn brood kon bakken. De Elspeetse reus stemde toe, en zei dat hij de volgende morgen zijn brood moest brengen, omdat hij dan zelf ook ging bakken. Na gezamenlijk Donar uitgebreid beschimpt te hebben, ging de Uddelse reus in ruil voor de hulp het brandhout halen, en nuttigden ze daarna samen het avondmaal bij de Elspeetse reus thuis.

"Na den maaltijd, terwijl de vrouw met een eikenstruik den pot omveegde,
bleven de beide reuzen nog wat samen praten en dronken vele malen
op het welslagen van het baksel. Zoo dronken ze meer mede dan voor dit welslagen en een
goede nachtrust noodzakelijk was."

De Uddelse reus keerde huiswaarts, en snurkte zo hard dat men het "zeven mijlen in het rond kon hooren". Toen hij wakker werd, merkte hij tot zijn schrik dat hij zich verslapen had. Hij gooide zijn vrouw de bedstee uit en zei dat ze vlug het brood moest kneden. Daarna sprintte hij met het brood dwars over de hei naar Elspeet. Tijdens kwamen zijn klompen vol zand te zitten, waardoor hij genoodzaakt was om halverwege te stoppen om ze te legen. Het zand uit de klompen ligt er vandaag de dag nog: de Grote- en de Kleine Hul. Overigens kwam de reus nog net op tijd aan in Elspeet.

De tweede sage, "Het ontstaan van het Uddeler- en Bleeke meer", wordt de herfst in schitterende metaforen beschreven als de strijd die Donar levert met reuzen en de Midgaardslang.
Als Donar de winterreuzen hardnekkig weerstand biedt, besluiten ze om een verbond met de Midgaardslang aan te gaan. Samen nemen ze het op tegen de dondergod: de reuzen smijten met hagel, de slang klimt in de hoogste eik en blaast haar gif in de hemel. Als Donar in de aanval gaat en met zijn bokkenwagen door de lucht rijdt, staat de hele hemel in lichterlaaie en doen de dreunen van zijn hamer de aarde beven.

"Toen hief Thunar den nooit missenden dondermoker
en sloeg hem bliksemend neder op den gesperden slangekop, met zulk een kracht,
dat het reuzenmonster verpletterd neerzonk
en de moker nog zeven mijlen diep in de trillende aarde drong."

De Midgaardslang was overwonnen, maar Donar had met zijn bliksemvuur tevens zijn eigen doodvonnis getekend. Het gif van de slang begon erdoor te schroeien en bedwelmde de dondergod. Met een zware klap stortte hij te pletter. Zijn stuurloze bokken stortten met wagen en al neer op de Donderberg, te Dieren. Hierna zonk de aarde in zee, blies de zeegod op zijn hoorn en kwam een groot donker schip het lijk van Donar halen.

Nadat de aarde weer droog was geworden bleven twee meren over die zo diep als wereld zijn: het Uddelermeer (Uttiloch), en het Godenmeer, ook wel Witte- of Bleeke meer geheten. Volgens van de Wall Perné werd aan het Godenmeer Donar aanbeden, al zou de "G" de "W" vervangen kunnen hebben, iets wat vaker (onder christelijke invloed) voorkwam. Dit zou betekenen dat het meer aan Wodan gewijd was.

"…toen Thunars hamer, die vanzelf weer uit de diepte was opgerezen,
bij het [Uddelermeer] gevonden werd, stichtte men daar een heilige offerplaats
en brandde er de houtstapels de dooden."

Het Uddelermeer, het graf van de Midgaardslang, werd in zijn voortbestaan bedreigd door het woekerende bos. In 1222 gebeurde er echter het volgende:

"Een helsche vlam sloeg op uit de kolk en al de vuurduivels wrongen zich naar buiten
(…) hoog langs de lucht lekten loeiend de vlammen,
uit een walmende rook wrong de geest der reuzenslang zich kronkelend omhoog
en vluchtte pijlsnel voort."

Het bos was platgebrand en wat overbleef is de heide, waar de meren nu nog gevonden kunnen worden.

In tegenstelling tot de gekerstende versie van het verhaal, waarin beweerd wordt dat in het Bleeke meer een gouden kalf verzonken is, was dit in werkelijkheid dus Donar.

De derde sage heet "Een sprookje van Pomphul". Dit verhaal gaat over een romance tussen Froh (Freyr) en de dochter van Hymer, Gerda, in het dal van de Spreng bij Pomphul. Van de bron van Pomphul wordt overigens gezegd dat Wodan hem geschapen zou hebben.

Het verhaal is zo mierzoet, dat ondergetekende zich genoodzaakt ziet het hier verder buiten beschouwing te laten.

Het vierde stuk, "de Witte juffer van Hoog Soeren", is een verzameling van verhalen die gaan over een oeroude, holle boom. De naam, Jufferboom of Spinboom, dankt hij aan de Witte Juffer (wit wief) die in de boom zat te spinnen. Dit verhaal doet sterk denken aan de Nornen, die de draden van het lot spinnen onder de wereldboom. Ook maakt van de Wall Perné melding van een bron, waarin wordt gesproken over een Urthensula (zuil van Urth) op de Veluwe.

Met uitzondering van de zesde, bevatten de rest van de sagen geen expliciete verwijzingen naar heidense dingen, wat overigens niet wegneemt dat deze eveneens van uitzonderlijke schoonheid zijn. De zesde sage beschrijft een fenomeen dat als oer-heidens mag worden beschouwd: de Wilde Jacht. Deze dodenstoet trekt, onder aanvoering van Wodan, in een extatische razernij door de najaarsnachtelijke hemel. Ter afsluiting van dit stuk, een passage die de Wilde Jacht op de Veluwe, die hier vaak het toneel van is, beschrijft.

"Plotseling hoorden we buiten een vreeselijk geraas. De wind joeg huilend en klagend door de boomen.
De grijsaard zweeg, wijl zijn oude stem overheerscht werd door de geluiden buiten.
Het schijnsel van het vuurtje verlichtte zijn oud verweerd gelaat en zijn witte haar. In zijn trouwhartige ogen
glansde een zachte gloed. We luisterden alle drie naar de stemmen van den storm.
De eene donderslag mokerde dadelijk over den anderen. "Dat is de Wilde Jacht," mompelde de oude.
Op eens overweldigde een hevig licht den zwakken schijn van het houtvuurtje en een vreemde suizeling
van lucht ging om ons. Een knetterende donderslag volgde er direct op.
De kleine hut schudde. Er viel iets zwaars op het krakende dak en in het vuur,
dat opeens gedoofd werd, waardoor ons asch en vonken om de ooren stoven.
Als verlamd van schrik zaten we sprakeloos in het donker. Wat we toen hoorden zal ik nooit vergeten;
't zal mij bij blijven als een angstige droom vol verschrikking.
We hoorden takken krakend afscheuren en de grond onder ons trilde.
Hoe lang we zoo zaten, weet ik niet; het geleek een eeuwigheid.
Toen het weer bedaard was en we zwijgend naar buiten traden, zagen we dicht bij de hut een eeuwen
ouden eik door den bliksem getroffen. Een zware tak was neergerukt en lag half over de hut.
De Wilde Jager was voorbij, maar overal in 't bosch had hij zijn sporen achtergelaten.
Toen de grijsaard en zijn zoon mij op den weg brachten, stond hoog boven ons de stille,
reusachtige nachtkoepel, waarin zacht de heilige sterren glansden."

"Veluwsche sagen" is een schitterend werk, en erg de moeite waard voor iedereen die een zwak heeft voor de heidense geschiedenis van de "Vale Ouwe".

Terug